Man overboord: dit doe je in de eerste minuten

Het gebeurt zelden in een storm. Het gebeurt op een zondagnamiddag, als iemand zich bukt om een stootwil recht te hangen en een golf van een passerende boot de rest doet. Wat er daarna gebeurt, hangt af van de eerste paar minuten, en dus van wat iedereen aan boord op dat moment al weet.

Waarom koud water zo weinig tijd geeft

De Britse kustwachtautoriteit MCA beschrijft in haar richtlijn over man overboord vier fases. In de eerste minuten krijg je te maken met koudeschok: je ademhaling en hartslag schieten omhoog en komen pas na ongeveer vijf minuten weer tot rust. Wie dan nog niet uit het water is, kan zichzelf meestal niet meer helpen.

Na zo’n tien à vijftien minuten begint de kou je spieren te raken. Je armen en handen doen niet meer wat je wil, en dan lukt het niet meer om zelf een ladder te pakken of een lijn vast te houden. Na ongeveer een half uur volgt onderkoeling. Dat zijn cijfers uit een richtlijn voor beroepsvissers, maar je lichaam reageert in een Belgische jachthaven of op de Schelde niet anders.

Roepen, gooien, wijzen, markeren

Het draaiboek past in vier woorden, en het helpt als iedereen aan boord het kent vóór je de steiger loslaat:

1. Roepen.Wie het ziet, roept luid “man overboord” en blijft dat herhalen tot de schipper het hoort.

2. Gooien. Eén bemanningslid pakt de reddingsboei en gooit hem zo dicht mogelijk bij de drenkeling. Een vest, een stootwil of een kussen mag ook. Zolang de motor draait, houd je de lijn van de boei bij je weg, anders draait ze rond je schroef.

3. Wijzen. Eén persoon doet niets anders dan wijzen naar de drenkeling en dat blijven doen. In golven of in het donker raak je iemand in een paar seconden kwijt.

4. Markeren. Druk meteen op de MOB-knop van je plotter of gps. Zo ligt de plek vast, ook als je een stuk verder bent geraakt.

Lukt het niet om de drenkeling terug te zien of binnen te halen, dan is het tijd voor de marifoon: Mayday op kanaal 16, met je positie. Op de binnenwateren kan je ook 112 bellen.

Terugkeren zonder zelf in de problemen te komen

Onder motor draai je rustig bij en benader je de drenkeling tegen de wind in of dwars, met de motor in neutraal vlak voor je er bent. Je wil de schroef nooit in de buurt van iemand hebben. Onder zeil bestaan er twee gangbare manoeuvres: de quick stop (je gaat door de wind en laat de boot bijliggen, ideaal met een kleine bemanning) en de achtmanoeuvre, die meer vaardigheid vraagt maar in ruwer water betrouwbaarder is. Welke je gebruikt, is minder belangrijk dan dat je hem al eens geoefend hebt.

Binnenhalen is een fase op zich

Hier gaat het vaak mis. Volgens dezelfde MCA-richtlijn overlijdt ongeveer een vijfde van de mensen die levend uit het water gehaald worden tijdens of kort na de redding, vaak doordat de bloeddruk plots daalt wanneer iemand verticaal wordt opgehesen. Haal een drenkeling dus bij voorkeur zo horizontaal mogelijk binnen boord en zet de motor uit.

Eenmaal aan boord: natte kleren uit, een droge deken of reddingsdeken om, liggend houden en opwarmen in kleine stappen. En bel 112, ook als hij zegt dat het wel meevalt. Na een val in koud water mag je niet inschatten.

Voorkomen is beter dan genezen

Een automatisch reddingsvest dat je ook echt draagt, doet meer dan het beste draaiboek. Voor wie alleen op het dek moet werken, hoort een lifeline bij het vest. Laat daarnaast niemand alleen over de reling hangen, en geef bij de briefing vóór vertrek aan waar de reddingsboei ligt, waar de MOB-knop zit en wie wat doet. Tien minuten praten voor vertrek wint tien minuten paniek achteraf.

Wil je dit niet enkel lezen maar ook leren toepassen? In onze avondcursus theorie leer je de vaarregels en de veiligheidsbasis, en tijdens de praktijkles oefen je de manoeuvres op het water. Alle opleidingen vind je op www.vaarschool.be.